Zoetwatervoorziening

Ga naar hoofdmenu / zoekveld.

Landelijke Verkenning Zoetwatervoorziening

Mag het ook een beetje zouter zijn?

Mag het ook een beetje zouter zijn: een evaluatie van de gehanteerde zouttoleranties door Alterra (2009)

Inleiding

Zowel in het Nationaal Waterplan als in het Advies van de Deltacommissie ‘Samen werken met water' heeft de toekomstige zoetwatervoorziening een prominente plaats. Dit heeft ertoe geleid dat zoetwater één van de deelprogramma's van het Deltaprogramma is geworden. Het Deltaprogramma, bevat concrete voorstellen om Nederland ook in de toekomst veilig en leefbaar te houden en om de kansen die water biedt te benutten.

De hoofdvraag waaraan in het Deelprogramma Zoetwater gewerkt wordt is: Hoe willen we als samenleving in de toekomst omgaan met de veranderingen in zoetwateraanbod en in de vraag van de verschillende regio's en gebruikers?

De twee centrale vragen zijn:

  • Hoe groot is het vraagstuk van zoetwaterbeschikbaarheid, waar treden de problemen op en hoe gaan ze zich in de tijd ontwikkelen?
  • Wat zijn de mogelijkheden om vraag en aanbod van water van de juiste kwaliteit te sturen, zodanig dat het (verschil) in evenwicht is, rekening houdend met allerlei toekomstige ontwikkelingen? En wat zijn de gevolgen voor alle functies?

Om deze vragen te kunnen beantwoorden, wordt er binnen het kennisspoor van het deelprogramma gewerkt aan het updaten en ontwikkelen van een gepast model instrumentarium. Als basis wordt het ‘NHI' instrumentarium gebruikt.

Een onderdeel van het modelinstrumentarium is de berekening van de effecten van het waterbeheer op de fysieke en financiële opbrengsten van landbouwgewassen (Agricom). De effecten kunnen worden onderscheiden in natschade, droogteschade en zoutschade. Ten aanzien van de zoutschade zijn er twijfels over de gehanteerde zouttoleranties van landbouwgewassen (zoals beschreven in het briefadvies van Alterra uit 2003). Deze zijn uit te drukken in zoutschadedrempels (chloridegehalte in bodemvocht waarbij bij overschrijding schade begint op te treden) en zoutschadegevoeligheden (de afname in gewasverdamping per eenheid toename in chloridegehalte boven de drempelwaarde) van de diverse gewassen. Dat geldt ook voor de in de modelberekeningen gehanteerde normen voor toelaatbare chloridegehaltes in het oppervlaktewater waarboven geen water meer wordt ingelaten en beregening gestaakt wordt.

Als onderdeel van de algemene evaluatie van het modelinstrumentarium is aan Alterra de opdracht verstrekt een kritische evaluatie uit te voeren van de gehanteerde zouttoleranties, waarbij nadrukkelijk ook expertise van gerenommeerde deskundigen uit binnen- en buitenland moest worden betrokken.

Bijeenkomst "Mag het ook een beetje zouter zijn?"

Op 4 november 2009 zijn de resultaten van de studie voorgelegd aan de landbouwsector, waterschappen en andere overheden. Belangrijke vraag hierbij is of de nieuwe resultaten acceptabel zijn voor de doelgroepen, hoe de resultaten meegenomen worden in de zoetwaterverkenning en wat de resultaten betekenen voor het afleiden van normen.

De doelen voor de bijeenkomst

  • Verkrijgen van een gedragen kennisbasis voor het deelprogramma Zoetwaterverkenning;
  • Delen conclusies onderzoek;
  • Het vaststellen van wat er nog nodig is in tijd en inhoud om resultaten onderzoek toe te kunnen passen?
  • Delen hoe de resultaten meegenomen worden in de zoetwaterverkenning.

Drie belangrijke vragen:

  1. Wat is de relatie tussen chloridegehalte in het oppervlaktewater en chloridegehalte in het bodemvocht. In Roest et al (2003) wordt een verdikkingsfactor van 3 gehanteerd.
  2. Wat is de relatie tussen chloridegehalte in het bodemvocht en fysieke gewasopbrengst? In Roest et al. (2003) worden Maas-Hofman relaties gebruikt.
  3. Welke gevolgen heeft beregenen (zout komt in contact met de bovengrondse delen) op het gewas, met name gewaskwaliteit.

Belangrijkste conclusies uit de bijeenkomst

  1. Factor 3 uit Roest et al (2003) is achterhaald en is onder Nederlandse klimaatomstandigheden meestal veel lager. Factor is afhankelijk van de benodigde gift, en dus van het weer en droogtegevoeligheid grond
  2. Niet werken met factoren, maar gebruik een dynamisch model
  3. Gebruik van Maas en Hofman-relaties voor de relatie tussen zout in de wortelzone en fysieke gewasopbrengsten het beste wat er is voorlopig;
  4. Bovenstaande conclusie geld niet voor gevoelige gewassen, m.n gewassen die schade aan geoogst product onder vinden
  5. Er resteren nog onzekerheden over gewasschade door beregening (verbranding) en samenstelling van het water. De samenstelling van het beregeningswater in Nederland is anders dan in Californië, waar de meeste proeven zijn uitgevoerd.
  6. Aanvullende conclusie: Zoutschade en droogteschade hangen samen. Berekeningen laten zien dat het vaak verstandiger is om een klein beetje zoutschade te accepteren en daarmee grote droogte schade te voorkomen.

Aanbevelingen voor vervolg

  • Voor berekening van mogelijke schade werk niet met vaste factoren, maar gebruik een dynamisch model;
  • Probeer zoutgevoeligheidsparameters (grenswaarde, helling) te toetsen aan Nederlandse omstandigheden:
  • inventarisatie oud onderzoek en consultatie experts over bladverbranding door beregenen (wordt opgepakt in Agricom);
  • veldtoetsing (niet belegd).
  • Reken bij beleidsstudies verschillende varianten door om te komen tot een optimum tussen droogte en zoutschade en houd hierbij rekening met bouwplan / landgebruik en bodems.
  • Houd in de beleidsverkenning rekening met veranderingen in de sector;
  • Houd rekening met de ‘werkelijkheid' van de ondernemer, blijf de sector erbij betrekken.

Lees verder:

  • Hoofdrapport van de uitgevoerde studie – “Review of crop salt tolerance in the Netherlands”
  • Oplegnotitie bij het rapport “Review of salt tolerance in the Netherlands” – “Mag het ook een beetje zouter zijn?
  • Samenvatting van de resultaten van de internationale expert bijeenkomst – 22 juni 2009
  • Verslag van de bijeenkomst “Mag het ook een beetje zouter zijn?” - 4 november 2009
Ministerie van BZK

Zoetwatervoorziening